KLADBLOG 

ABOUT & CONTACT 

PUBLICATIONS 

PROJECTS 

LINKS 


    verschenen in Gonzo (circus) # 58 (augustus-september 2003).

    Het onbegrepen déjà-vugevoel van Jaap Kunst

    Vijftig jaar geleden toonde de muziekwetenschapper Jaap Kunst aan dat er opvallende overeenkomsten bestaan tussen muziektradities in afgelegen bergstreken op de Balkan en op het Indonesische eiland Flores. Omdat Kunst een verklaring zocht in dubieuze theorieën, werd zijn ontdekking volledig onderuitgehaald. Slechts weinigen hebben het sindsdien gewaagd op onderzoek uit te gaan — ten onrechte, want deze muzikale freak occurrence roept een reeks vragen op over de menselijke creativiteit.

    door Richard de Boer

    Tussen 1919 en 1936 deed de muziekwetenschapper en autodidact Jaap Kunst (1891-1960) als ambtenaar in Nederlands-Indië diepgaand onderzoek naar de veelzijdige Indonesische muziektradities. Hij schreef hierover talrijke werken, zoals 'De toonkunst van Bali' (1925), 'De toonkunst van Java' (1934) en 'Music in Flores' (1942), en werd de grondlegger van de etnomusicologie — de wetenschappelijke studie van niet-westerse muziek — in Nederland.
         Tijdens zijn bezoek aan een groot folkloristisch festival in de Joegoslavische badplaats Opatija ontdekte Kunst zoveel overeenkomsten tussen de muziektradities en de volkscultuur van de Balkan en die van Indonesië, dat hij meende de overblijfselen van een prehistorische beschaving op het spoor te zijn gekomen. En inderdaad, het is niet overdreven om te beweren dat de schrille zangstijlen van pakweg het Istrische schiereiland via de Dinarische hooglanden tot in West-Bulgarije vrijwel identiek zijn aan de zangstijlen die Jaap Kunst duizenden kilometers verderop, vooral op het Indonesische eiland Flores, had gehoord.
         Kunst zette zijn internationale faam op het spel door deze ongehoorde bevindingen wereldkundig te maken in het essay 'Kulturhistorische Beziehungen zwischen dem Balkan und Indonesien', dat in 1953 door het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam werd uitgegeven. 'Het was dezelfde muziek die ik hier hoorde,' schreef hij, 'in de meest letterlijke zin van het woord. Ik bedoel dat in sommige gevallen niet alleen sprake was van een bepaalde overeenstemming of parallel, maar hier en daar een volkomen identiteit.' Ook vond hij gelijksoortige eigenaardige muziekinstrumenten; de dubbelklarinet van Sulawesi (basing-basing apempeng) en die van Istrië en Montenegro (diplice), de dubbelfluit van Flores (foi doa) en die van de Dinarische hooglanden (dvojnice). Dat kon geen toeval meer zijn.

    Gedachtesprongen

    Kunst zocht naar een verklaring in de cultuurhistorische hoek en ging te rade bij Robert von Heine-Geldern (1885-1968), een avontuurlijke Oostenrijkse archeoloog die menig zoektocht had ondernomen in Oceanië, Amerika en Zuidoost-Azië en een exponent was van het diffusionisme, de theorie van wereldwijde cultuurbetrekkingen. Von Heine-Geldern suggereerde dat de overeenkomsten die Kunst had ontdekt de sporen zijn van een grote volksverhuizing in de 9e of 8e eeuw voor Christus. Europeanen zouden toen via Centraal-Azië naar China zijn getrokken en zaken als bronsbewerking en weeftechnieken hebben geïntroduceerd. Uit deze cultuurgolf zou de Dong Son-cultuur zijn ontstaan — bekend om zijn bronzen trommels en geometrische kunstvormen — die zich in de eeuwen daarna verspreidde tot in Indonesië.
         Deze prehistorische volksverhuizing, die Von Heine-Geldern de Pontische Wanderung noemde, zou moeten verklaren waarom de Dong Son-cultuur sterke overeenkomsten heeft met de bronstijd in Europa en waarom er identieke textielmotieven, geometrische kunstvormen, magische rituelen en psychologische archetypen worden gevonden in Indonesië, de Balkan en een aantal tussengelegen stations. Een duizelingwekkende opsomming van deze soms wel erg schimmige en vergezochte overeenkomsten vermeldde Kunst in zijn essay, rijk voorzien van illustraties.
         De Pontische Wanderung is overigens niet de enige buitensporige hypothese van Von Heine-Geldern; zijn werk leest als een logboek van onophoudelijk briljante, doch zeer twijfelachtige ingevingen. Zo heeft hij eens verklaard dat er in een pre-Columbiaans Aztekengraf in Mexico een onbetwistbaar Romeinse sculptuur uit het begin van de jaartelling was aangetroffen. Het zijn de grote gedachtesprongen van het diffusionisme, dat ervan uitgaat dat de mens in wezen niet creatief is, dat alle belangrijke uitvindingen in de geschiedenis van de mensheid slechts éénmaal zijn ontdekt en dat overeenkomsten tussen culturen — al liggen ze geografisch mijlenver uit elkaar — te verklaren zijn door een gemeenschappelijke oorsprong of door imitatie. Een ander voorbeeld hiervan is dat verscheidene wetenschappers, onder wie Kunst, zich geen raad wisten met exact gelijkgestemde Indonesische en Afrikaanse xylofoons en een gemeenschappelijke oorsprong suggereerden.

    Blonde mummies

    Op de theorie van de Pontische Wanderung valt heel wat af te dingen, hoewel niet zo lang geleden blonde mummies werden opgegraven in de Chinese provincie Xinjiang. In het boek 'The Tarim Mummies: Ancient China and the Mystery of the Earliest Peoples from the West' (2000) stellen de wetenschappers Victor Mair en Jim Mallory dat de mummies stille getuigen zijn van een migratie van Europese volken die zich vanaf 2000 voor Christus in dit deel van Azië vestigden en de Chinese cultuur aanzienlijk beïnvloed hebben. Von Heine-Geldern zat er dus niet ver naast, maar zijn theorie vormt een wel zeer zwakke basis voor de muzikale fenomenen op de Balkan en in Indonesië.
         Met het essay van Kunst werd binnen de etnomusicologische vakwereld genadeloos afgerekend. Onterecht, want Kunst was zich ervan bewust dat het muzikale materiaal tot zijn beschikking aanvullend onderzoek vereiste. 'Het doel van mijn opmerkingen is simpelweg aandacht te vragen voor het gegeven dat deze parallelle fenomenen werkelijk bestaan.' Dat was aan dovemansoren gezegd. De Duitse etnomusicoloog Albrecht Schneider mopperde in zijn studie 'Musikwissenschaft und Kulturkreislehre' (1976) dat met de handelswijze van Kunst 'inspanningen voor een binnen de etnomusicologie bedreven cultuurhistorisch onderzoek in diskrediet worden gebracht. Zo ontstaat de onjuiste indruk dat de etnomusicologie niets of nauwelijks iets kan bijdragen aan het onderzoek naar cultuurgeschiedenis.'
         En daarmee belandde het essay van Kunst in de prullenmand. Zijn critici waren vaak niet in de gelegenheid om de muziekstijlen van de Balkan en het eiland Flores met elkaar te vergelijken. Hadden zij dat wel gekund, dan waren ook hun monden opengevallen. Dat stelt Philip Yampolsky, die in de jaren negentig de traditionele en moderne muziekstijlen van Indonesië documenteerde. Een buitengewoon karwei waarvan het imposante resultaat te beluisteren is in de twintigdelige cd-serie 'Music of Indonesia'. Deel 8 bevat unieke voorbeelden van de zangstijlen van Centraal- en Oost-Flores en in het cd-boekje gaat Yampolsky in op de bevindingen van Kunst. Een cultuurhistorische verwantschap tussen Flores en de Balkan is volgens hem uitgesloten, omdat dit zou impliceren dat de muziek in beide gebieden maar liefst 2500 jaar lang structureel onveranderd moet zijn gebleven, zonder nieuwe ideeën, geleidelijke veranderingen of invloeden van buiten. Dat is simpelweg onmogelijk zonder een nauwkeurig pedagogisch systeem, zoals het Westerse notenschrift of de technieken van de Vedische recitatie.

    Psychoakoestiek

    Als de muziektradities toch onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan, is er dan iets in de menselijke psyche, dat de mogelijkheden en variaties in muzikale expressie tot in detail kan determineren? Eén van de weinigen die dit onderzoek waagde voort te zetten is de in Australië woonachtige Oostenrijker Gerald Florian Messner, die in de jaren zeventig en tachtig studie deed naar meerstemmige zangstijlen.
         Tijdens zijn veldwerk in West-Bulgarije en op Oost-Flores werd Messner overdonderd door de onderlinge muzikale gelijkenissen, die nog veel gedetailleerder bleken te zijn dan hij aannam op basis van de bevindingen van Kunst. In beide regio's worden dezelfde veeleisende stemtechnieken, ritmische patronen en complexe regels voor de onderlinge verhoudingen tussen de stemmen gebruikt. Diezelfde zangstijlen trof Messner ook aan op het eiland Baluan ten noorden van Papua Nieuw-Guinea.
         Om zich ervan te verzekeren dat zijn oren hem niet bedrogen, besloot Messner nieuwe onderzoeksmethoden toe te passen uit het veld van de psychoakoestiek, de wetenschap van de geluidswaarneming die kennis uit de muziekpsychologie en de natuurkunde combineert. Zijn veldopnamen visualiseerde hij in spectrogrammen, die aangaven dat de schrille zangstijlen een frequentiebereik van 2000 hertz zelden overschrijden. In alle gebieden waar deze zangstijlen voorkomen, worden karakteristieke ruwe klankeffecten veroorzaakt door intervallen met een frequentieverschil van rond de 30 hertz. Messner gaf dit fenomeen de verzamelnaam Schwebungsdiaphonie.
         Zulke geluidstrillingen produceren een maximale dissonantie, welke naar Westerse muziekesthetische maatstaven ontzettend vals klinkt, maar de beoefenaars van Schwebungsdiaphonie ervaren dit als zuivere harmonie. Om het effect van maximale dissonantie te bereiken, staan zangers en zangeressen zo dicht mogelijk bij elkaar. Op deze manier wekt de geluidsintensiteit bijzondere sensaties op, variërend van kippenvel tot een lichte extase. 'Het moet rinkelen als een bel', zeggen de bergbewoners op de Balkan. De meeste stedelingen in voormalig Joegoslavië beschouwen deze muziek evenwel als onsamenhangend geluid of een soort schreeuwpartij. In Kroatië geldt de zangstijl ganga uit de Dinarische hooglanden als een symbool van primitivisme, ook al is dit een hoogontwikkeld, bewust gecre'erd genre met regionale stijlen.

    Wrong notes that sound right

    Kenmerken van Schwebungsdiaphonie worden overigens ook aangetroffen in muziek uit andere delen van de wereld — in de Kaukasus, in de Afghaanse provincie Nuristan, in het grensgebied van Albanië en Griekenland, in de West-Russische regio Brjansk, bij de Dorzé in Ethiopië, de Nùng in Vietnam, op de Fiji-eilanden en elders, maar nergens zijn ze structureel zo gelijksoortig als in bergstreken op de Balkan, op Flores en op Baluan. Zo kwam Messner andermaal een muzikale parallel tegen op Oost-Flores; daar begint een strofe vaak met het onzinwoord 'o-e', waarna de zangtekst doorspekt wordt met tussenvoegsels zoals 'o-ho', 'ta', 'na' en 'o-i' en eindigt met een bizarre uithaal op de klanken 'o-i'. Exact dezelfde nonsens vinden terug in de bergstreken op de Balkan, met name in de zangstijlen van de Dinarische hooglanden (ojkanje en ganga) en Istrië (tarankanje).
         In zijn artikelen drong Messner aan op verder onderzoek naar al deze regionale stijlen. 'Wat de redenen of oorzaken van deze verbazingwekkende overeenkomsten ook zijn, het zou te voorbarig zijn om ze nu te bespreken.' Al is er in de laatste decennia veel vooruitgang geboekt in het onderzoek naar Schwebungsdiaphonie en naar de oorsprong en ontwikkeling van muziek überhaupt, op deze vraag kan de muziekwetenschap slechts een vaag antwoord geven. Het moet iets te maken hebben met de klankeigenschappen, of met de specifieke logica van de melodische syntaxis. 'Nieuwe klankeigenschappen worden voortdurend ontdekt of gecreëerd door hedendaagse componisten', zegt desgevraagd de etnomusicoloog Dieter Christensen, professor aan de Columbia University in New York, 'en ik zie geen reden om aan te nemen dat zo'n creativiteit hun exclusieve domein is.'
         Christensen maakt een interessante vergelijking, want de klankeigenschappen van muziek in gebieden met Schwebungsdiaphonie doen soms sterk denken aan moderne klankexperimenten. Muziekuitvoeringen in de Istrische toonschaal, vooral de instrumentale improvisaties (mantinjada), zouden met hun op het gehoor af volstrekt willekeurig klinkende harmonie eerder als jazz dan als Europese volksmuziek geclassificeerd kunnen worden. Microtonaliteit en ongebruikelijke toonstelsels vinden we zowel bij de muzikale avant-garde als in eeuwenoude muziekstijlen zoals die van de Balkan en Indonesië. Beide zijn de vruchten van de menselijke creativiteit. De Australische componist Percy Grainger schreef het al in 1915: 'Modern geniuses and primitive music unite in teaching us the charm of wrong notes that sound right'.


    Selectief lezen

    1. Jaap Kunst, 'Kulturhistorische Beziehungen zwischen dem Balkan und Indonesien' (Koninklijk Instituut voor de Tropen, 1953); vertaald in het Engels als 'Cultural relations between the Balkans and Indonesia' (Koninklijk Instituut voor de Tropen, 1954; 2e druk 1960)
    2. Gerald Florian Messner, 'Die Schwebungsdiaphonie in Bistrica. Eine Untersuchung der mehrstimmigen Liedformen eines mittelwestbulgarischen Dorfes' (Wiener Veröffentlichungen zur Musikwissenschaft 12, 1980)
    3. Gerald Florian Messner, 'Jaap Kunst Revisited. Multipart Singing in Three East Florinese Villages Fifty Years Later: A Preliminary Investigation', in: the world of music 31 (1989)

    Selectief luisteren

    1. Music of Indonesia 8: Vocal and Instrumental Music from East and Central Flores, recorded, compiled, and annotated by Philip Yampolsky (Smithsonian/Folkways)
    2. World Library of Folk and Primitive Music V: Yugoslavia, compiled and edited by Alan Lomax (Rounder). Deze dubbel-cd bestaat uit opnamen van het folkloristische festival in Opatija (1951), waar Jaap Kunst zijn ontdekking deed. Slechte geluidskwaliteit, maar helaas behandelen de meeste verkrijgbare albums met muziek van de Balkan de hierboven besproken muziekstijlen slechts in vogelvlucht.




    richard de boer [risjaar AT tiscali.nl]
    l'art est inutile banner created by de snaakLocations of visitors to this page